‘Een pot piccalilly voor Westerbork’ is de titel van een verslag over de vernietiging van het Joods Weeshuis aan de Roodenburgerstraat op 17 maart 1943. Op diezelfde dag dit jaar wordt in een ceremonie herdacht dat vijfenvijftig kinderen en hun begeleiders werden afgevoerd naar Nazi vernietigingskampen. Slechts vier van de negenenvijftig overleefden de Holocaust. Leo Levie bestudeerde het journalistieke verslag van Gerard Kerkvliet en Martin Uitvlugt over deze tragische gebeurtenis, waarin onder anderen de weesjongen Harry Spier (17) figureert.
In de aanloop naar de herdenking volgende week is er één vraag voortdurend in Levies hoofd rondspookt: “Waarom vraagt Harry Spier, gevangen in Westerbork, op een briefkaartje aan zijn Leidse vriendin om een pot piccalilly?” “Je moet de betekenis niet letterlijk maar symbolisch zien,” zegt Levie. Piccalilly was een luxeproduct dat totaal niet thuishoorde in een kamp. Zou Harry Spier door zoiets te vragen een geruststellende schijn van normaliteit en waardigheid hebben willen oproepen? Misschien zag hij de pot met fijngehakte, zurige groenten ook als ruilmiddel om invloed of gunsten te bedingen. Een verklaring van op de vraag waarom is mogelijk dat iemand in een onmenselijke situatie om iets alledaags vraagt. Omdat het zijn manier is om mens te blijven, denkt Levie.
Op 3 mei 1943 schreef de eenvoudige tuinjongen Spier nog dit kaartje in een opgewekte toon die schrijnend contrasteert met zijn lot. De volgende dag werd hij afgevoerd naar Sobibor, waar hij op 7 mei werd vermoord.







